Er is een plek die ik steeds opnieuw tegenkom, in mezelf, in mijn leven, en in het werken met vrouwen.
Een plek waar verlangen en angst zo dicht naast elkaar liggen, dat ze bijna dezelfde adem lijken te delen.
Ik herken die plek, niet uit boeken. Maar uit momenten waarop mijn eigen leven mij uitnodigde om eerlijker te zijn dan comfortabel was.
Wat als dat scherpe randje dat je voelt rondom een diep verlangen niet betekent dat het niet voor jou is…
maar juist dat je aan de rand staat van iets wat werkelijk bij je hoort?
Ik heb zo vaak gedacht dat verlangen licht moest voelen, ruim, vanzelf. Maar mijn pad liet mij iets anders zien. Verlangen kwam bij mij zelden zonder trilling. Zonder twijfel. Zonder een deel dat zich wilde terugtrekken. En steeds opnieuw ontdekte ik:
niet omdat het niet klopte —
maar omdat het iets ouds aanraakte dat gezien wilde worden.
We leren als vrouwen vroeg hoe we ons kunnen aanpassen, hoe we kunnen zorgen, hoe we sterk kunnen zijn, hoe we door kunnen gaan.
Maar niemand leert ons hoe het voelt om stil te blijven staan bij dat wat ons eigenlijk bang maakt, terwijl we tegelijk weten: hier klopt iets. Dus gaan we eromheen.
We maken het kleiner, logischer. praktischer.
“Ik moet eerst nog…”
“Dit is nu niet het moment…”
“Misschien later…”
Ik ken die stemmen. Ze hebben ook in mij gewoond. Tot ik begon te voelen dat dit geen bezwaren waren, maar bewakers. Dat wat ik uit de weg ging, precies daar stond waar mijn leven dieper wilde worden.
In oude beelden wordt die kracht soms Kali genoemd.
Niet als iets buiten ons, maar als een beweging van binnen. De kracht die afbreekt wat niet meer waar is.
Die zacht kan zijn, maar ook niets ontziet. Niet om te straffen, maar om vrij te maken.
Ik heb haar ontmoet in momenten waarop mijn zorgvuldig opgebouwde zekerheden begonnen te schuiven. Waar ik niet meer kon blijven doen alsof ik iets niet voelde. Waar mijn lichaam al wist wat mijn hoofd nog probeerde te ontwijken. En wat me het meest raakte was dit: de angst zei niet “dit mag niet”.
De angst zei: hier gebeurt iets echts.
Wat als het deel in jou dat weg wil kijken niet zwak is,
maar ooit is ontstaan om jou veilig te houden? Wat als je dat deel niet hoeft te overwinnen, maar mag ontmoeten?
Ik heb geleerd om niet meer over mijn angst heen te stappen, maar ernaast te gaan zitten. Niet om het op te lossen, niet om mezelf te fixen. Maar om eerlijk te zijn over wat er in mij leeft. En steeds opnieuw merkte ik:
achter dat beschermende deel lag geen afgrond,
maar een laag van mezelf die dichter bij mijn waarheid stond.
Wat als jouw verlangen niet groter kan worden dan jouw bereidheid om jezelf te ontmoeten, ook in wat schuurt? Wat als het pad niet eerst veilig wordt,
maar zichtbaar wordt terwijl jij oprechter wordt naar jezelf?
Niet hard, niet dwingend, maar helder. Helder over wat je voelt, over wat je mist, over wat je allang weet, maar nog niet volledig durfde te erkennen.
Voor mij is moed niet het verdwijnen van angst gebleken. Moed is: niet weggaan bij mezelf wanneer het spannend wordt. En ik schrijf dit niet omdat ik het allemaal al “kan”. Ik schrijf dit omdat dit mijn weg is.
Omdat ik hier zelf loop, omdat ik weet hoe het voelt om aan die rand te staan.
Misschien herken je iets in deze plek en voel je dat er in jou ook iets klopt, terwijl er tegelijk iets terugdeinst. Misschien ligt jouw verlangen niet ver weg. Misschien ligt het precies naast dat wat je nog niet volledig hebt durven aankijken. En misschien hoef je niet verder je best te doen, maar dichterbij te komen.
Bij jezelf.